‘Ik zou je hoofd naar binnen halen.’ George trekt aan de arm van zijn broer naast hem op de achterbank van de taxi.
‘Nee joh, het is heerlijk buiten.’ Alex schuift wat dichter naar het portier en duwt zijn donkere Wayfarer stevig op zijn neus. De zon staat laag. Langzaam rijdt de taxi door de brede straten met platanen. Uit de koptelefoon om Georges nek klinkt het nieuwste album van Dire Straits; hij zet ‘m weer op en kijkt langs de eeuwenoude bomen naar de hoge gevels en de binnenplaatsen daarachter.
Het huis van Yaya en Papou ligt iets terug van de straat. De zware houten deur zwaait open.
‘Hello, boys.’ Yaya heeft een zwart jurkje aan dat reikt tot haar smalle kuiten. Haar donkergrijze haar zit strak naar achteren in een lage knot. Ze kust Alex, dan George. ‘Wat zijn jullie gegroeid.’
Binnen is het koel. De marmeren vloer glanst. In de hal staat een kleine tafel met een telefoon met draaischijf, ernaast een schaaltje voor sleutels. Aan de kapstok hangt een dunne jas die ruikt naar zon en sigaretten. George zet zijn legergroene canvas rugzak op de grond.
In de woonkamer staat alles op zijn plek. Een zware houten eettafel met rechte stoelen. Een vitrinekast met het servies, een fijn goud randje langs de boord. De stoel van hun vader staat bij het raam.
Yaya wijst naar de bank. ‘Ela, boys.’ Alex gaat zitten. George wacht een tel, schuift naast hem en voelt de bank veren.
Yaya blijft staan. ‘Jullie vader is opgenomen,’ zegt ze.
Alex kijkt op. ‘Opgenomen? Waar?’
‘In a psychiatric clinic.’
George kijkt naar de boekenkast. Spinoza, Marcus Aurelius heeft een versleten rug. Hij denkt aan lange witte gangen, aan de geur van chloor en desinfectiemiddel, aan deuren die zacht dichtvallen.
‘Heeft hij iets gezegd?’ vraagt Alex.
‘Nee,’ zegt Yaya. ‘Hij sliep al dagen niet. Hij werd steeds onrustiger.’ Ze strijkt haar jurk glad. ‘Hij bleef vragen hoe laat jullie er zouden zijn.’
‘De artsen vonden dat het moest.’ Ze gaat zitten, haar handen gevouwen in haar schoot.
George voelt zijn kaken op elkaar klemmen en laat ze los. Het tikken van de klok vult de ruimte.
‘Kunnen we hem zien?’ vraagt Alex.
‘Morgen,’ zegt Yaya. ‘Als hij wat rustiger is.’ Ze staat op en loopt naar de keuken. Als ze uit het zicht is, hoort George het schrapen van een pollepel in een pan.
’s Avonds liggen ze in hun oude kamer. Twee smalle bedden, strak opgemaakt met dunne lakens die licht aan zijn benen plakken. De warmte van de stad trekt naar binnen door het open raam. In de verte klinkt verkeer, gedempt. Alex draait zich om, met zijn gezicht naar de muur.
George ligt op zijn rug. Hij pakt zijn rode Sony Walkman van het nachtkastje. Het plastic is glad onder zijn vingers. Hij zet de koptelefoon op en drukt op play; zacht komt de gitaar op. ‘A love-struck Romeo sings the streets a serenade.’



