‘Ben jij beneden geweest?’ Noor staat bij de kelderdeur. Het licht brandt.
‘Nee. Neem je wijn mee? We gaan zo eten.’ George staat in zijn zwart-grijs geblokte schort voor de kookplaat. De gashaard werpt een gouden schijnsel op de gedekte eettafel; de keuken ruikt naar knoflook en ingekookte tomaat, zwaar en warm.
Noor loopt naar beneden. Onderaan de trap staat een piccolo Moët & Chandon. Leeg. In het laatste laagje champagne op de bodem drijven twee sigarettenstompjes.
‘George?’
Zijn voetstappen kraken achter haar op de houten trap.
Noor staat met het flesje in haar hand in de kelder. Door de ramen hangt de herfstavond als zwart karton; het TL-licht zoemt boven de wasmachine, de droger en het rijtje schoonmaakmiddelen. In het midden de Concept2 roeimachine, vergeten, onder een laag stof. Op de grond naast het vliegwiel ligt een natte handdoek. Het ruikt naar sigarettenrook.
‘Ik rook niet,’ zegt Noor. ‘Al jaren niet.’
De kastdeur staat open. Haar sporttas hangt half naar buiten. ‘Mijn tas.’ Ze knielt en gaat door de spullen.
George staat achter haar. ‘Wat is hier gebeurd?’ Hij trekt haar omhoog en draait haar naar zich toe. De knoop van het schort zit op zijn buik.
‘Mijn hardlooptrui is weg. En m’n regenjack.’ Noor duwt het flesje in Georges handen en gaat de trap op, te snel, haar hand hard om de leuning.
‘George… Kom snel. De computer is weg.’ Ze staat in de deuropening van de werkkamer. Op het houten bureau van oma Helena hangen de kabels over de rand.
‘Wanneer…? Gisternacht?’ Noor kijkt George verschrikt aan. ‘Heb jij iets gehoord?’
‘Nee. Ik rook vanochtend sigaretten, maar ik dacht aan de werklui bij de buren.’
Ze lopen de keuken in. Niets anders lijkt weg. Noor voelt haar keel dichttrekken. George zet het vuur onder de pan laag. ‘Ik ga de politie bellen’, zegt hij.
Noors telefoon trilt op het keukenblok. Ze tikt het scherm aan en veegt het open.
Waarom zie je me niet.
Ik ben zo dichtbij.




Spannende wending. Ik dacht dat George een stiekeme roker was…