‘Ed staat op ons te wachten.’ George kijkt op van zijn BlackBerry. Noor knikt. Buiten de deuren van het ziekenhuis slaat de warmte om hen heen, een klamme deken; de ziekenhuislucht blijft achter. De witte Toyota truck van Edward staat aan de rand van de parkeerplaats. Als ze instappen, hapert de deur in een bloeiende frangipanistruik. De romige zware geur trekt mee naar binnen. Noors maag protesteert.
‘Ik breng jullie naar het strand’, zegt Ed. Hij start de motor en draait de weg op.
George pakt Noors hand. Die is warm en plakt aan de zijne. Met haar andere hand voelt ze in haar tas. ‘Check. Ik had onze zwemspullen meegenomen, je weet maar nooit.’
Ze rijden Kingston uit langs toeterende auto’s en opwaaiend stof; buiten de stad worden de gebouwen lager, met golfplaten daken en winkeltjes met kleurrijke handgeschreven letters. De potholes komen in golven en de Toyota klapt op en neer, al zegt Ed dat hij elk gat in het asfalt kent. De weg wordt smaller en takken tikken langs de zijkant, tot hij bij een half scheef bordje een stille afslag neemt.
Hij kijkt in de achteruitkijkspiegel. ‘Frenchman’s Cove,’ zegt hij. Hij knikt naar het groen. ‘Daar komt het zoete water uit de jungle. Koud. En daar…’, hij wijst naar rechts waar het blauw tussen de bladeren breekt, ‘is de zee. Zout. Warmer.’ Aan de spiegel bungelt een klein leren zakje, dichtgebonden met een touwtje. Ed tikt ertegen, alsof hij groet. ‘Sommige plekken op het eiland zijn gewoon mooi. En sommige krijg je moeilijk uit je hoofd.’
George zegt niets.
‘Bel straks een taxi,’ zegt Ed. ‘Op tijd.’ Hij kijkt in de spiegel. ‘Je vergeet hier gemakkelijk hoe laat het is.’
Het pad naar beneden is nat. Het groen sluit achter hen. Dan opent een strand als een kom, met links zoet water uit het bos dat de zee inglijdt en rechts het zout, open en helder in de zon, en in het midden een smalle strook blauw die telkens anders lijkt.
Het is stiller dan Noor verwacht had. Ze blijft staan, haar handdoek in haar hand, en duwt haar zonnebril stevig op haar neus.
Ze lopen de zee in tot het water hun schouders draagt. Zout op hun lippen. Zon in hun nek. Ze drijven naast elkaar op hun rug, stil. Noor met haar armen wijd. George trekt haar naar zich toe en duwt haar onder.
‘Niet doen, m’n lenzen,’ sputtert Noor; het zeewater brandt in haar neus.
‘Hou je ogen maar dicht,’ fluistert George in haar nek als ze bovenkomt. ‘Je vertrouwt me toch?’
‘Doe normaal,’ lacht ze.
Met lome stappen waden ze door de branding terug naar hun handdoek.
‘Heerlijk,’ zegt Noor. Zout prikt in haar ogen; zand kleeft aan haar kuiten. Ze houdt de fles zonnebrand omhoog. George draait zijn rug naar haar toe. Noor trekt een streep over zijn schouderbladen.
‘Je mist een plek.’
Noor zet haar duim er nog een keer op. George kust haar scheef op haar mond en pakt haar hand.
Bij de rivier hangt onder de bladeren een schommel aan een dik touw. George duwt Noor een keer, dan nog een keer, precies op tijd; boven het donkere zoete water schiet ze naar voren en terug, met zand aan haar voeten en haar lach in de bomen, en nooit eerder kwam ze zo los van de wereld.



