‘Wat ik niet snap is dat je het zolang voor jezelf hebt gehouden.’ Daan geeft Alex een por in zijn zij. Ze zitten met z’n drieën achter in een Uber die ruikt naar sigarettenrook verstopt onder een laag chemisch dennenbos. Alex’ knie tikt tegen de lege stoel voor hem.
‘Hoppakee,’ Pieter zucht. ‘Daar gaan we.’
‘Ik wil het toch weten,’ zegt Daan. ‘Straks ga je weer doen alsof het niks is. En dat trek ik niet.’
Alex kijkt naar het beslagen raam. Zijn adem tekent. Hij veegt het weer uit. ‘Ik wilde hem geen verdriet doen. En hoe langer ik wachtte, hoe moeilijker het werd om het te vertellen.’ Hij denkt aan de jaren in Berlijn, toen hun contact slonk tot felicitaties op elkaars verjaardag.
Daan knikt. ‘Oké, maar waarom zou hem dat pijn doen?’
Alex slikt. Zijn keel is droog. ‘Omdat... hij opeens iemand anders is.’
Pieter draait zijn raam open. Koude lucht snijdt de auto in. ‘Kom op, Alex. Je deed het niet alleen om hem te sparen. Je deed het ook om dit moment te vermijden.’
‘Kijkt hij nog hetzelfde naar je?’ vraagt Daan.
Alex denkt aan George toen hij het vertelde. Niet boos, wel wakker. En aan zijn eigen bekentenis dat het ergens ook lekker had gevoeld; een bondje met Daddy, waar George niet vanzelf inzat.
‘Je zat toch bij zo’n prater,’ zegt Pieter. ‘Vanwege je huwelijk.’
Alex ziet de lage tafel weer, de doos tissues binnen handbereik. Wiens verhaal draag jij hier, had ze gevraagd. Hij ademt diep in. Het dennenbos prikt achter in zijn neus.
De telefoon van de chauffeur speelt blikkerig de Marimba; hij neemt op en zegt wat in het Arabisch.
Daan ademt langzaam uit. ‘Niet te doen dat je vader het alleen aan jou vertelde. Waarom heeft hij jou belast met zijn geheim?’
Alex is even stil. Zijn vader maakte hem bewaker.
‘Ik ga hem niet verdedigen. Maar ook niet zwartmaken.’
‘Waarom liet je hem dat bij jou neerleggen?’ gaat Daan door. ‘Je sleept het nog met je mee. Want nu ben jij de broer die de waarheid niet vertelde.’
‘Lekker Daan, dank je.’ Alex knijpt zijn ogen tot spleetjes. ‘Alsof ik dat niet weet.’
‘Of ben je opgelucht?’, vraagt Pieter.
Alex leunt met zijn hoofd tegen het koude glas. ‘Opgelucht, en voel me schuldig. Ik ben bang dat ik het te laat heb verteld.’
‘Te laat?’ snuift Pieter. ‘Gast, je had het ook op je sterfbed kunnen doen. Dan was het pas te laat.’
‘Hou even op, Piet.’
Pieter steekt zijn handen op. ‘Ik probeer het draaglijk te houden.’
‘Misschien vooral voor jezelf,’ zegt Daan.
De Uber stopt voor een rood stoplicht. Op het navigatiescherm staat: twee minuten tot de Westergasfabriek.
‘En jullie moeder,’ vraagt Daan. ‘Wat zei zij?’
Alex’ stem wordt vlak. ‘Ik heb ‘t een keer gevraagd. Ze zei dat het onzin was.’ Hij kijkt naar zijn eigen wazige spiegelbeeld in het raam. ‘En dat ik toch wist dat Nikandros gek was.’
‘Jezus,’ zegt Pieter.
‘Ja’, knikt Alex. ‘Ze zegt wat en gaat weer door.’
De Uber draait een smalle straat in. In de verte beuken bastonen. Voor de ingang schuift een rij mensen langzaam naar voren. De chauffeur zet zijn knipperlicht aan en remt.
‘Ben je bang dat je hem kwijt bent?’ vraagt Daan.
Alex pakt de deurklink.
‘Ik hoop dat we elkaar weer vinden.’



