‘Lewis Lynden? Aan het einde van de gang links.’ De zuster wijst met haar clipboard langs Noor en George. Haar crocs zijn geel als een banaan. Links in de gang staat een lange rij plastic stoelen. Rechts zijn kamerdeuren, één staat wagenwijd open. Achter de halfopen jaloezieën jankt een scooter weg.
Aan het einde van de gang zit een slanke donkere man op een stoel die is vastgelijmd met ducttape. Hij staat op en glimlacht. ‘Fijn dat jullie er zijn.’ Hij slaat een arm om George heen en trekt hem tegen hem aan.
‘Hi Edward,’ zegt George. ‘Hoe is het met hem?’
‘Redelijk. Al die maanden in de bush op rauwe vis en noten… hij is zwak.’
‘Waarom toch…’ Noor kijkt vertwijfeld van George naar Edward. ‘Hoe kon hij dit doen?’
‘Die genezer in Oostenrijk zei dat Lewis sterk genoeg was om zichzelf te genezen,’ zegt Edward. ‘Alsof kanker iets is dat je overwint. En dat hij daarvoor terug moest naar zijn roots. Naar Jamaica.’
‘Ongelofelijk, wat een verhaal,’ zegt Noor. Ze pakt Georges hand.
‘Gelukkig heeft hij ons net op tijd gebeld,’ zegt Edward. ‘Ik vond hem in een hutje aan zee op een stretcher, mager en leeg.’
‘Mr. Edward Lynden?’ De zuster met de crocs komt uit de kamer. ‘Uw neef vraagt naar u.’
‘Kom.’ Edward houdt George even vast aan zijn bovenarm. Noor ziet zijn schouders zakken en direct weer vast worden. ‘En George, my dear new cousin, je bent niet te laat voor alles. Je bent niet te laat voor dit.’
Lewis zit half omhoog in het ziekenhuisbed, een blauwe gown van dun katoen om zijn bovenlichaam. Op de tv hoog op de muur voor het bed is een rugbytoernooi aan de gang. Het geluid is uit. Ver weg piept een ventilator bij elke omwenteling.
Hij grijnst. ‘Ed… George.’ Zijn blik schuift naar Noor. ‘You’re here.’ George schuift een stoel naast het bed en gaat zitten zonder de hand van Lewis los te laten.
Noor pakt een zilverfolie pakje uit haar tas. ‘Hier is de patty waar je zo’n zin in had.’
Edward glimlacht. ‘Proper Jamaican medicine.’
Lewis gaat rechtop zitten, pakt het aan en strekt zijn benen. Een voet steekt onder de deken uit. Zijn wreef heeft dezelfde boog als die van George. Noors vingers klemmen om het hengsel van haar tas.
‘Ik laat jullie even alleen,’ zegt Edward. ‘George, Noor, ik kom jullie over een uur ophalen.’
‘Hoe voel je je?’ vraagt George.
Lewis scheurt de zilverfolie open. ‘Goed hoor. Hongerig.’ Hij neemt een hap en kauwt langzaam. ‘Mmm.’
‘Hee hallo daar!’ De deur zwaait open. Een lange man met grijze slapen en sproeten over zijn hele gezicht staat midden in de kamer.
Hij kijkt naar George.
Als aan de vloer genageld blijft hij staan.
‘I told you, man!’ roept Lewis. Hij zwaait zijn armen omhoog. ‘I told you.’ Er valt een stukje kip op de dunne deken.
‘Wow.’
‘Guys, dit is Ronald,’ zegt Lewis. ‘Mijn tennismaatje van vroeger. We reisden samen de hele wereld over.’
Noor telt de ventilator-tikken niet maar het zijn er veel, en Ronald staat nog steeds op dezelfde plek als toen hij binnenkwam. De sproeten op zijn gezicht lichten op tegen zijn bleke huid.
‘Alsof ik terugstap in de tijd,’ zegt hij zacht. Zijn ogen blijven bij George, die nu hardop met Lewis meelacht.



