‘Wat denk je dat mijn achtergrond is?’ George kijkt vragend naar Noor. Ze houdt haar hoofd een tikkeltje scheef. Haar ogen gaan van zijn mond naar zijn neus naar zijn oren en eindigen bij zijn haar. Gelukkig had hij vorige week een relax-behandeling bij de kapper laten doen. Hij haat zijn sterke krul.
‘Ik weet het niet… Kan van alles zijn’, hapert ze. Het eerste dat in me opkomt is Perzisch. Je ziet eruit als een prins uit het land van Duizend-en-een-nacht.’
George lacht. ‘Ik ben half Grieks, dus je zit dichtbij.’
‘Grieks? Dat zou ik niet direct zeggen.’
‘Mijn opa Papou had net zo donker haar als ik. Het zit in de familie.’
‘En je moeder?’
‘Nederlandse. Geboren en getogen in Bloemendaal. Ze zijn elkaar tegengekomen in Cambridge. Mijn vader studeerde wiskunde, mijn moeder volgde een opleiding om Engelse les te kunnen geven.’
‘Wat een grappige combinatie. Slim bedacht van je grootouders om je moeder in Cambridge te laten studeren.’
‘Ja, mijn grootmoeder wist precies wat ze wilde voor haar dochter.’
Noor pakt haar glas. ‘Laten we een toast uitbrengen op je oma. Zonder haar was jij er niet geweest.’
Hun glazen klinken kort tegen elkaar.
‘Cheers’, zegt Noor.
Haar ogen zijn meer groen dan blauw. Schouderlang blond haar. Een beetje een rond toetje maar dat geeft niet. Heeft hij zelf ook. Het heeft drie maanden geduurd voordat ze eindelijk hapte. En nu zijn ze hier, ergens in een Italiaans huiskamer restaurant in Amsterdam-Noord. Waar hij niemand kan tegenkomen die hij kent.
‘Onze vader heeft Alex het stuk familiegrond op Kastria gegeven toen hij ging trouwen. Ik heb niks gekregen bij mijn huwelijk.’ Het is eruit voordat hij er erg in heeft. ‘Eigenlijk begrijp ik nog steeds niet waarom.’
Het meisje van de bediening haalt hun borden weg; Noor glimlacht, zegt dankjewel, volgt haar tot het keukenluik en draait zich weer naar hem. ‘Heeft hij jou iets anders nagelaten?’
‘Toen Nikandros in 2001 stierf, erfden we allebei hetzelfde bedrag.’ Hij schuift de pepermolen terug naast het zoutvaatje.
‘In Griekenland gaat iets dat in de familie moet blijven vaak naar de oudste’, zegt hij.
‘En dat ben jij.’
‘Ja.’
‘Misschien vond hij dat jij het niet nodig had.’
George schudt zijn hoofd. ‘Ik weet het niet.’ Hij wendt zijn blik af en kijkt voor zich uit naar buiten. In het gele licht van de straatlantaarn dwarrelen witte vlokken langzaam naar beneden.



